
Aanleiding
Siméa heeft een brief gepubliceerd naar aanleiding van het rapport van het Verwey Jonker Instituut over de transitie naar inclusief onderwijs. In die brief beschrijft Siméa de positie van de verschillende cluster 2‑doelgroepen en hun visie op de toekomst van het stelsel.
In de brief staat een passage waarin Siméa expliciet aangeeft dat het onderwijs aan dove en slechthorende leerlingen, leerlingen met een communicatief meervoudige beperking en leerlingen met doofblindheid is verankerd in het VN‑Verdrag Handicap. Dat klopt: voor deze doelgroepen worden in artikel 24 lid 3 specifieke verplichtingen genoemd, zoals het recht op onderwijs in gebarentaal, braille en andere passende communicatiemiddelen. In het bredere artikel 24 staat dat mensen met een beperking de vaardigheden moeten kunnen leren die zij nodig hebben om goed mee te doen op school en in de samenleving, en dat landen daarvoor moeten zorgen.
Voor leerlingen met een TOS wordt deze verankering in de brief niet genoemd. Dat is feitelijk juist, omdat TOS niet in artikel 24 lid 3 wordt gespecificeerd. Tegelijkertijd vallen leerlingen met een TOS wél volledig onder het VN‑Verdrag Handicap. Voor hen gelden de algemene artikelen over toegankelijkheid, ondersteuning, participatie en het recht op passend onderwijs. Die rechten zijn even stevig, maar worden in de brief niet benoemd.
Waarom dit bij ons zorgen opriep
Omdat TOS in de betreffende passage ontbreekt, kan bij lezers de indruk ontstaan dat de rechten van deze doelgroep minder duidelijk of minder stevig zouden zijn, of dat specialistisch onderwijs voor TOS‑leerlingen in de toekomst zou verdwijnen en vervangen zou worden door uitsluitend ambulante ondersteuning. Dat beeld klopt niet en doet geen recht aan de diversiteit en ernst van TOS.
Gesprek met het bestuur van Siméa
Naar aanleiding hiervan hebben wij een open gesprek gevoerd met het bestuur van Siméa. In dat gesprek hebben wij kunnen toelichten hoe het weglaten van TOS in de passage over het VN‑Verdrag op onze achterban overkomt. Het bestuur heeft onze zorgen serieus genomen.
De voorzitter heeft daarbij duidelijk uitgesproken dat ook Siméa ziet dat voor een deel van de TOS‑leerlingen altijd specialistisch onderwijs nodig zal blijven. Dat is een belangrijke bevestiging voor ons. Tegelijkertijd gaf het bestuur aan dat zij nog zoeken naar de juiste manier om dit in de toekomst te organiseren, omdat voor andere doelgroepen al wordt gewerkt met clustering van expertise en voorzieningen. In het gesprek hebben we afgesproken dat we graag samen met Siméa willen verkennen hoe het onderwijs voor TOS‑leerlingen in de toekomst het beste kan worden vormgegeven, en of een vorm van clustering daarbij passend en wenselijk is.
Vervolg
Wij gaan hierover graag verder met Siméa in gesprek. Voor ons is van belang dat:
- de rechten van leerlingen met een TOS expliciet en correct worden benoemd in communicatie over de toekomst van cluster 2
• helder blijft dat ook voor deze doelgroep specialistisch onderwijs noodzakelijk blijft voor een kleine, maar structurele groep leerlingen
• de toekomstige inrichting van voorzieningen zorgvuldig gebeurt, met aandacht voor expertise, continuïteit en landelijke herkenbaarheid
Wij waarderen de open houding van Siméa en zetten het gesprek graag voort, zodat alle cluster 2‑leerlingen – inclusief leerlingen met een TOS – kunnen rekenen op onderwijs dat dichtbij huis is, met passende ondersteuning én met specialistische voorzieningen wanneer dat nodig is.
Wat het VN‑Verdrag Handicap betekent voor leerlingen met een TOS
Het VN‑Verdrag Handicap geldt voor alle kinderen met een beperking, dus ook voor kinderen en jongeren met een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Anders dan bij dove en slechthorende leerlingen, leerlingen met een communicatief meervoudige beperking en leerlingen met doofblindheid wordt TOS niet genoemd in artikel 24 lid 3, waar specifieke verplichtingen staan voor zintuiglijke beperkingen. Maar dat betekent niet dat de rechten van leerlingen met een TOS minder stevig zijn. Zij vallen volledig onder de algemene bepalingen van het verdrag.
De kern van het VN‑Verdrag voor TOS‑leerlingen
Voor leerlingen met een TOS zijn vooral de volgende onderdelen van het verdrag van belang:
- Recht op toegankelijk onderwijs
Scholen moeten onderwijs bieden dat toegankelijk is voor leerlingen met een beperking. Voor TOS betekent dit dat taal, communicatie en instructie zo moeten worden ingericht dat leerlingen daadwerkelijk kunnen deelnemen en leren. - Recht op passende ondersteuning
Het verdrag verplicht staten om ondersteuning te organiseren die aansluit bij de individuele behoeften van het kind. Voor TOS‑leerlingen gaat het bijvoorbeeld om logopedische expertise, taalgerichte didactiek, visuele ondersteuning, structuur en specialistische begeleiding. - Recht op participatie en volwaardig meedoen
Leerlingen met een TOS hebben recht op deelname aan het onderwijs en het schoolleven op gelijke voet met anderen. Dat vraagt om een omgeving waarin communicatieproblemen worden erkend en gecompenseerd. - Recht op specialistische voorzieningen wanneer dat nodig is
Het verdrag schrijft voor dat ondersteuning beschikbaar moet zijn in een vorm die effectief is. Voor een deel van de TOS‑leerlingen betekent dit dat zij niet voldoende hebben aan ambulante begeleiding, maar aangewezen zijn op specialistisch onderwijs. Dat volgt rechtstreeks uit de verplichting om onderwijs te bieden dat effectief, inclusief en passend is. - Recht op deskundige professionals
Het verdrag benadrukt dat professionals voldoende kennis moeten hebben van de beperking van het kind. Voor TOS betekent dit dat scholen toegang moeten hebben tot expertise over taalontwikkeling, communicatie en TOS‑specifieke onderwijsbehoeften.
Wat dit betekent voor de toekomst van TOS‑onderwijs
De rechten van leerlingen met een TOS zijn dus stevig verankerd in het VN‑Verdrag Handicap, ook al worden zij niet genoemd in het artikel dat specifiek gaat over zintuiglijke beperkingen. Het verdrag verplicht Nederland om:
- ondersteuning te organiseren die werkt voor deze doelgroep
• specialistische voorzieningen beschikbaar te houden voor leerlingen die dat nodig hebben
• expertise te borgen en toegankelijk te maken voor reguliere scholen
• te zorgen dat leerlingen met een TOS kunnen deelnemen aan onderwijs op een manier die past bij hun mogelijkheden
Deze verplichtingen zijn niet vrijblijvend. Ze vormen de basis onder een toekomst waarin inclusief onderwijs mogelijk is, maar waarin specialistische expertise en specialistische voorzieningen voor TOS‑leerlingen behouden blijven voor wie dat noodzakelijk is.
Ik wil me aanmelden voor de nieuwsbrief van Samen TrOtS

